Nieuws

De voorzitter verwelkomt leden en vrienden

De negenenzeventigste ESDB-gouwdag

startte met een woordje vooraf van Erik Aerts

 

Beste leden, beste vrienden,

 

We gaan terug naar het jaar 1911.

Het jaar dat de Titanic wordt te water gelaten of dat op tv de belevenissen van de familie Crawley in het populaire kostuumdrama Downton Abbey starten.

Toen de op dat ogenblik 22-jarige Jan Lindemans uit Opwijk aan de wieg stond van het tijdschrift dat wij zo in ons hart dragen, kon hij zich onmogelijk voorstellen dat zijn geesteskind het tweede millennium zou overleven en na meer dan 110 jaar springlevend zou zijn.

De naam van het nieuwe tijdschrift werd ontleend aan de bekende versregel van de Vlaamse dichter Karel Ledeganck: “Geen rijker kroon dan eigen schoon”.

Maar die naam vertegenwoordigt natuurlijk slechts de helft van ons huidig tijdschrift. Acht jaar na de oprichting van “Eigen Schoon”, in oktober 1919, stichtte drukker en bibliothecaris Maurits Sacré uit Merchtem het tijdschrift “De Brabander”.

Twee tijdschriften die zich toelegden op het verleden van dezelfde streek en vanuit dezelfde inspiratie bleken toch te veel van het goede.

In 1926 fusioneerden beide tijdschriften tot “Eigen Schoon & De Brabander”.

Voortaan zou het nieuwe tijdschrift zich toeleggen op de beoefening van de streekgeschiedenis in de ruimste zin van het woord en met inbegrip van een resem historische hulpwetenschappen.

Voorwaar een hele boterham op een rijke dis en zeker een groot contrast met hedendaagse historische tijdschriften waarvan vele vandaag kiezen voor een thematische specialisatie of methodologische invalshoek.

 

Onze vereniging en ons tijdschrift speelden geen historische pioniersrol in het Vlaamse landsgedeelte, maar waren evenmin laatkomers.

Grote steden met een glorierijk verleden als Brugge en Gent hadden vanzelfsprekend al vroeger een historische kring en bijhorend tijdschrift, zoals Brugge in 1839 en Gent in 1894.

Ook Het Land van Dendermonde en de kasselrij Oudenaarde gingen met hun Gedenkschriften Oudheidkundige Kring van het Land van Dendermonde uit 1864 en de Annales du Cercle Archéologique et Historique d’Audenarde, de sa Châtellenie et de l’ancien Pays d’entre Maercke et Ronne uit 1906 onze vereniging en ons tijdschrift vooraf.

Dat was eveneens het geval met de Bijdragen tot de Geschiedenis van het aloude hertogdom Brabant die in 1902 het licht zagen.

Dit alles ruiterlijk toegegeven, haast ik me om mee te delen dat we ouder zijn dan de Oostvlaamsche Zanten of het tijdschrift van de Koninklijke Bond der Oost-Vlaamse Volkskundigen uit 1926.

En we waren er ook vroeger bij dan de buren aan de overzijde van de Dender, het Oude Land van Aalst, dat pas in 1949 boven de doopvont werd gehouden.

 

Die laatste, kerkelijke beeldspraak is op zijn plaats want in het katholieke Vlaanderen van het begin van de 20ste eeuw was de alomtegenwoordigheid van geestelijken bij wereldlijke initiatieven de normale gang van zaken.

Dat was niet anders toen in 1911 Lindemans zijn idee voorstelde.

In de gelaïciseerde en geseculariseerde wereld van vandaag past het even het monnikenwerk en de inzet van de vele plaatselijke priesters in herinnering te brengen.

Zij togen aan het werk uit liefde voor het verleden, maar ook geruggesteund door episcopale aanbevelingen zoals het initiatief van kardinaal Petrus Lambertus Goossens die op 5 april 1898 een schrijven richtte aan de pastoors en andere geestelijke overheden van het aartsbisdom waarin hij vroeg om hun archief te ordenen en een geschiedenis op te stellen van hun parochie.

Binnen de afdelingen van het nog jonge, maar succesvolle Davidsfonds en met hulp van geestdriftige vrijwilligers zoals plaatselijke onderwijzers gaven dergelijke priesters hun beste krachten aan wat zij zelf als volksopvoeding bestempelden.

 

Decennia zijn intussen voorbij gegaan. Sommige zaken zijn vanzelfsprekend veranderd in de loop der tijd.

Aan het overwicht van geestelijken is al lang een eind gekomen want het ambt van priester is een heus knelpuntberoep geworden.

Er zijn geen geestelijken meer in de redactie en het bestuur, al worden er nog geestige moppen getapt. Verder leven we niet alleen meer in een fysieke wereld, maar ook in een digitale.

Een tijdschrift kan het zich in de wereld van vandaag niet veroorloven om enkel op papier met zijn lezers te communiceren.

Ook de redactie van “Eigen Schoon & De Brabander” heeft daarom werk gemaakt van een handige website die een aanvulling, maar ook een meerwaarde biedt voor de papieren versie van het tijdschrift.

Op deze website worden oudere jaargangen in snel tempo ter beschikking gesteld, voor een deel zelfs in een heuse “open access” formule, gratis dus en voor iedereen.

 

Een feestelijke uitstap is vaak een gelegenheid om onbeschroomd de loftrompet te steken. Fierheid over het geleverde werk mag er zijn, natuurlijk, maar mag een kritische reflectie op toekomstige uitdagingen niet in de weg staan.

Want die uitdagingen zijn er.

Om er slechts enkele te noemen. We zijn binnen het bestuur een bende van witte mannen en hebben dringend behoefte aan vrouwen.

Ik ben nog bereid om Martine als echtgenote van onze secretaris die zo goed voor ons zorgt tijdens onze vergaderingen als een gecoöpteerd lid te beschouwen, maar verder is er in de verste verte geen vrouw in onze beleidscenakels te bespeuren.

We zijn bovendien een groep van – ik blijf mild – oudere witte mannen. Onze gemiddelde leeftijd schommelt rond de 67 jaar en daarbij moet ik eerlijk vertellen dat dit cijfer gunstig wordt beïnvloed door onze redactiesecretaris.

Indien we Janick Appelmans, het jonge broekje in onze raad van bestuur, uit de berekening lichten, stijgt het gemiddelde prompt naar 70 jaar.

Jong bloed dat ons tijdschrift voorbereidt op de volgende honderd jaar en onze zichtbaarheid verhoogt op de alomtegenwoordige sociale media is dus meer dan welkom.

 

Dat ik hier het woord mag voeren, is behalve een grote eer verder welhaast een historische aanfluiting.

Ik ben slechts enkele maanden de nieuwe voorzitter en kan dus geen echte adelbrieven of een indrukwekkende staat van dienst voorleggen.

Als schamele verdediging kan ik enkel inroepen dat ik al in 1978 een eerste artikel voor ESDB zou schrijven.

Dat is vandaag exact 44 jaar geleden.

Als ik daarbij mijn 67 lentes bijtel, dan kom ik precies aan 111 ofwel het exacte aantal jaren dat ons vandaag scheidt van het initiatief van Paul Lindemans en zijn vrienden.

O wonder spel der cijfers!

Behalve felicitaties voor de huidige bewindsploeg past het dat ik hier hulde breng aan mijn vijf voorgangers die het tijdschrift al die decennia door vaak woelige baren steeds in een veilige thuishaven deden belanden.

 

Een tijdschrift levendig houden, is inderdaad hard werken. Zoals Constant Theys, ooit secretaris van ons Genootschap, het kernachtig omschreef:

“De lezer heeft doorgaans geen flauw benul van het werk in de keuken van een geschiedkundig tijdschrift.

Om de zoveel maanden moet een menu samengesteld worden dat niet te zwaar op de maag ligt en waar elke lezer wat aan te kluiven heeft. Want, evenals op een goede spijskaart, moet er deugdelijk, voedzaam eten zijn dat aan de ribben plakt (…), moet er smakelijk, pittig, gekruid voedsel op voorkomen naast luchtig gebak en een kernachtig elixir”.

 

En met deze culinaire beeldspraak heb ik een perfecte overgang naar het aangename intermezzo dat ons wacht deze middag, na ons bezoek aan Alsemberg en Beersel.

 

Ik dank U voor uw welwillende aandacht.

Geef een reactie